L’Esprit du Chemin - info herbergiers
L’Esprit du Chemin - info herbergiers
Antoinette huilt
(door Theo Kors)
In april 2008 heeft Theo Kors twee weken als vrijwilliger gewerkt in de pelgrimsherberg "L'Esprit du Chemin" van Huberta Wiertsema en Arno Cuppen in Saint-Jean-Pied-de-Port. Theo heeft daar in 2007 twee dagen gelogeerd, op zijn wandeltocht naar Santiago de Compostela. Hij schreef het onderstaande verslag voor zijn parochieblad.
Antoinette huilt, wanneer ze – gepakt en gezakt – klaar staat om, samen met haar man Frans, de tocht over de pas van de Pyreneeën te gaan maken vanuit St.Jean-Pied-de-Port. Ze is twee dagen eerder aangekomen met de trein vanuit Brabant en heeft een rustdag willen houden, alvorens de Camino op te gaan. Die rustdag is niet erg “rustig” geworden: er breekt een stukje van een van haar kiezen af en ze moet naar de tandarts. Pánisch is ze voor die man, en nu nog wel “in den vreemde”, terwijl ze ook niet in het Frans kan uitleggen wat er loos is. De herbergierster gaat mee en houdt lètterlijk haar hand vast. Nu is het “rustdag-avontuur” voorbij en focust ze helemaal op het lopen naar St. Jacobus. Ze leunt met haar hoofd, huilend, tegen me aan en snikt dat ze het niet ziet zitten … . Frans staat er wat beteuterd bij.
Zie daar een ochtend uit het leven van een “hospitalero”, een vrijwilliger in de herberg “L’Esprit-du-Chemin”, waar ik zèlf – vorig jaar – ook twee nachten heb verbleven. Van 6 tot 22 april mocht ik de eerste twee weken van het seizoen mee helpen in de herberg, gerund door een zeer sympathiek Nederlands echtpaar. Vijf jaar geleden kochten ze een groot en mooi, maar oud, huis in de smalle, hellende straat onder de citadel van het oude Franse stadje. Na jaren van verbouwen is dit hun eerste jaar zònder grote klussen en kunnen ze zich helemaal concentreren op de ontvangst en het herbergen van totaal 18 personen. Twee vrijwilligers helpen daarbij en die twee vrijwilligers worden elke twee weken vervangen door weer twee andere. Zo gaat het door tot aan eind september. Dan komen de herbergiers, Arno en Huberta, weer naar Arnhem, waar ze een huis hebben.
Arn
Arn - een joviale, èchte Amerikaan uit de staat Virginia - komt over de plas gevlogen via Parijs en verder met de TGV en het boemeltje naar St. Jean. Hij is zichtbaar blij met zijn onderkomen, al is het pelgrimsgebeuren helemaal nieuw voor hem. Tòch heeft hij er zin in: hij heeft zijn “farm” en zijn grote huis al aan zijn zoon en dochter over gedaan en heeft nu eens zin om wat van de wereld te zien en eens iets ànders te gaan doen. Zijn vrouw is 3 jaar geleden overleden aan kanker. Hij heeft van de Camino gehoord en ziet dat helemaal zitten. Hij heeft er trouwens de conditie voor, zo te zien! Arn is een grappenmaker. Wanneer wij elkaar een hand geven en ik zeg wie ik ben en wat ik hier doe, vraagt hij “Schud ik jouw rèchter hand?” Wij kijken elkaar aan. “Dat doe je zéker, “ antwoord ik, “en je schudt een Hòllander de hand, dus tel zodadelijk eerst maar eens of je al je vingers nog hebt!” Arn schiet in een dáverende lach: het klikt tussen ons en er wordt nog héél wat afgelachen voor hij de volgende morgen vertrokken is.
Een vrijwillige herbergier maakt lange dagen. ’s Morgens even na half zeven ren ik in het donker door de hellende straat naar de andere kant van de rivier, waar de bakker zit. Ik mag doorlopen door de zijdeur naast de winkel en tref daar dagelijks Ceril aan: een jonge bakker die elke morgen op slippertjes, in korte broek en alleen een t-shirt aan, tussen deegkneedmachine en oven heen en weer scharrelt. Met een afwisselend aantal grote Franse stokbroden, gloeiend heet, weer terug. Bij terugkomst zijn de eerste pelgrims al op, want er kan tussen 7 en 8 worden ontbeten. Thee, koffie, brood, muesli, beleg, de hele santekraam staat op twee tafels in de keuken en in de hal. Gepraat in werkelijk àlle talen.
Vooral mensen die in St.Jean-Pied-de-Port beginnen zijn vaak erg nerveus. In eerste instantie kan ik mij dat niet voorstellen, maar al gauw realiseer ik me dat ìk zenuwachtig was toen ik vorig jaar van huis ging. In St. Jean was ik alleen maar nieuwsgierig hoe de Pyreneeën er uit zouden zien!
Nadat alle pelgrims, mannen en vrouwen, zijn opgestapt is er even tijd voor ontbijt voor de 4 medewerkers. De plannen voor de dag worden gelijk even doorgenomen. Daarna splitst het viertal zich: twee doen de keuken (afwas, boenen en soppen, vullen van alle suiker- en andere potten, aanvullen van voorraden in de kastjes uit het magazijntje). De andere twee gaan, gewapend met stofzuiger en emmers de kamers doen, de toiletten en de gangen en trappen.
Tegen elven is het even tijd voor koffie en komen zelfs de eerste nieuwe pelgrims al aan. Ontvangen van mensen en hun verhaal aanhoren is een fijne bezigheid.
Na de lunch is er even tijd voor wat boodschappen in het stadje of een klein rondje lopen, of worden er inkopen gedaan voor de herberg. Ook een aantal klusjes, bv. aan verlichting etc., worden er waargenomen. (Dat bracht mij o.a. bij een Franse “boerenbond”(marché agricole) en dat had óók wel weer wat!). De andere vrijwilliger is Adalbert uit Aken. Hij houdt zich in de rustige uurtjes bezig met het vertalen van 24 kaartjes, uitgegeven door de herberg. Zijn vroegere positie bij het Duitse onderwijs komt hem daarbij geweldig van pas!
In de loop van de middag en tegen de avond komen dan de rest van de pelgrims en ze zijn verrast wanneer er een klein briefje op hun kussen ligt met een welkom en hun naam erop, bij een schoon kussensloop en met een klein snoepje ernaast. Claus, een oudere man uit Berlijn die meer als een dag onderweg geweest is, krijgt tranen in zijn ogen wanneer hij het ziet. Hij slaat een arm om me heen en zegt: “Ik ben hier wèrkelijk welkom, zo te zien!”
•verslagen:
•Een dag in een pelgrimsherberg (2004), door Klaas Mors
•Antoinette huilt (2008), door Theo Kors
Terug naar > welkom
laatst bijgewerkt op: 7 november 2011
Tegen vijven begint het groente snijden, het soep maken en het berijden van de toetjes wat en-passant door 3 man/vrouw moet worden waargenomen, wil je allemaal (pelgrims èn verzorgers) rond 8 uur aan tafel kunnen gaan. Vrijwel elke avond zit het huis vol, want de herberg heeft in die 5 jaar al een bijzondere naam gekregen. En elke avond is het weer gezellig om een bont gezelschap van mensen uit de hele wereld rond de tafels te hebben: Polen, Denen, Zuid-Koreanen, Brazilianen, Amerikanen, Canadezen, Duitsers, Oostenrijkers, Zuid-Afrikanen, Noren, Belgen, Fransen, Hollanders, Zweden: wij hebben ze in die eerste 2 weken van het seizoen allemaal gehad!
Het hoeft geen betoog dat de hele berg afwas niet door de kleine vaatwasser kan worden verwerkt, dus wanneer de pelgrims tot slot aan de kruidenthee gaan, staan de herbergiers weer in de keuken. Nadat alles is afgewerkt, gaat het in één moeite door met het klaar maken van de beide tafels voor het ontbijt voor de volgende morgen. Ziedaar een dag van een herbergier!
Wil
Wil komt op een middag binnen en heeft een reservering. Hij is klein van stuk en heeft sinds 2 maart gelopen vanuit een klein dorp bij Eindhoven. Hij is vriendelijk, maar duidelijk wat “gepresseerd”. Zodra hij zijn schoenen heeft gewisseld en zijn slaapzak op zijn bed heeft gelegd komt hij met een aantal blanco vellen en begint druk te schrijven. Het valt op dat hij zijn vellen keurig op tafel legt met zijn pen en zijn reisgids er punctueel naast. Hij beklaagt zich éven dat de plaatselijke krant in Holland heeft gevraagd waar zijn stukje blijft. Hij heeft het op zich genomen om tussentijds verslag te doen. Hij schrijft vijf vellen vol en vraagt dan naar een fax. Die hebben wij niet, maar het pelgrimscentrum aan de overkant kan misschien voor oplossing zorgen? Briesend komt hij even later terug: hij heeft wel 20 cent per vel moeten betalen! Schande! Wij kijken ernaar en vragen ons af of Wil wel werkelijk op pèlgrimstocht is….
Antoine
Nee, dàn Antoine! Hij is in Le Puy, in Frankrijk, begonnen en heeft die dag een zwaar en lang traject achter de rug. Totáál “uitgewoond” komt hij binnen strompelen. Arno, de herbergier, heeft het meteen door: deze vent kan niet met het gebruikelijke kopje thee worden gered! Hier moet een biertje aan te pas komen! Antoine veert na zijn pilsje helemaal op: hij vertelt honderd-uit en verdwijnt lachend naar de douche. Het blijkt een ongelooflijke leuke gast te zijn!
Enrico
Deze Braziliaan is van een heel ander slag. Hij komt ’s middags binnen, rechtstreeks uit zijn Zuid-Amerikaanse land, en is één brok wantrouwen. Zijn gezicht staat op zeven-dagen-onweer, en hij is maar matig tevreden met het feit dat onze aandacht óók nog naar andere pelgrims gaat die gelijk met hem binnen komen. Wanneer hij een boven-bed krijgt aangewezen moppert hij dat hij een onder-bed wil. “Sorry, Enrico, dat is voor iemand die het éven moeilijker heeft dan jij en al de nodige kilometers achter zijn sloffen heeft!” Mokkend neemt hij het maar voor lief. Wanneer hij echter de volgende morgen op stap gaat is hij één en al dankbaarheid, wanneer hij het gezelschap van pelgrims aan tafel heeft ervaren en hij door krijgt hoe het pelgrimsleven in elkaar steekt.
Paniek
Er komt een Japans meisje binnen. Ze buigt en vraagt of er misschien nog ruimte is. Dat is er, toevallig! Ze raakt echter helemaal in paniek wanneer ze het naambriefje op het bed naast haar ziet. Is dat een màn, die daar komt te liggen??!! “Ja, hoezo,”zeggen wij in onze argeloosheid. Samen met een màn op één kamer? Dáár begint ze niet aan!! Wij vragen of ze wel naar Santiago wil. Jazéker! Dat zal dan moeilijk worden, want vrijwel geen één herberg heeft echte vrouwen- of mannenkamers. Wij zijn allemaal pelgrims. Dàt is haar niet verteld in Japan en ze vlùcht naar buiten. Nog een hele poos zien wij haar vertwijfeld rond rennen door het stadje, op zoek naar een kamer voor zich alleen.
Snurkers
Er komt een apart stel binnen: hij Engelsman: het kàn niet Engelser: lang, mager en flegmatiek. Zij Ierse: het kàn niet Ierser: een grappig Iers accent en haar zo rood als …….
Ze wil een kamer voor 2. Die hebben wij niet. Wij hebben een kamer voor 3: dàt kan en is dus niet zo groot. Ze wil beslist voor dat derde bed óók betalen, want – zegt ze – ik kan absoluut niet tegen gesnurk. Hij – ze wijst op de slungelige Brit – snurkt niet, en ik duld geen ander. “Effe een andere herberg zoeken”, is ons nuchtere antwoord. Daar piekert ze ook weer niet over, want ze heeft veel goeds over de onze gehoord. “En die derde dan?” vraagt ze, heel wantrouwend. Weten wij veel! Die moet nog uit Berlijn komen! De derde blijkt een heel bedeesd en zachtaardig Duits meisje te zijn en opgewekt zitten de Brit en de Ierse, mèt hun Berlijnse kamergenoot, de volgende dag aan het ontbijt.
Ieder mens heeft zo zijn/haar eigen verhaal in de herberg. Er is geen dag voorbij gegaan dat ik niet even ontroerd was door verhalen, door reacties of door hetgeen ik tussen mensen zag gebeuren. Of hoe mensen naar òns reageerden. De dikke kussen en omhelzingen wanneer ze op stap gingen.
Hospitaleren: ik had het voor geen goud willen missen!